De meest gebruikte medicijnen bij een depressie zijn antidepressiva. Antidepressiva beïnvloeden de stoffen in jouw hersenen die gevoelens en stemmingen bepalen. Ze verdoven eigenlijk jouw gevoel en emoties.
De bijwerkingen die antidepressiva met zich meebrengen zijn onder andere sufheid of slaperigheid, verminderde of vermeerderde eetlust (gewichtstoename) en diarree of juist een moeilijke stoelgang (obstipatie), een droge mond, wazig zien, meer moeite met plassen, overmatig transpireren en soms daalt de bloeddruk bij opstaan waardoor duizeligheid kan optreden. Daarnaast kunnen zowel mannen als vrouwen last krijgen van seksuele problemen.

TCA remmen de heropname van serotonine en noradrenaline.
TCA wordt voornamelijk gebruikt voor klachten als: depressie, paniek- en dwangklachten en migraine.
Serotonineheropnameremmers (SSRI’s) remmen ook de heropname van serotonine, zodat deze stof langer in het lichaam blijft. Het verschil met TCA is dat SSRI’s alleen op de serotonine-opname werken.
SSRI wordt met name ingezet voor klachten als: depressieve stemmingsklachten, maar ook bij angst-, paniek- en dwangklachten.
SNRI’s lijken qua werking op SSRI’s. Ze worden gebruikt bij de behandeling van depressie en chronische pijn.
MAO-remmers vertragen de afbraak van onder andere norepinefrine, serotonine en dopamine.
MAO-remmers worden tegenwoordig niet vaak meer voorgeschreven ivm de bijwerkingen.
Elk jaar sterven er 200 mensen en raken er 20.000 mensen gewond door een ongeval dat te wijten is aan de invloed van kalmeringsmiddelen. Bij chronisch gebruik verergert het middel de kwaal en veroorzaakt het klachten als angst, spanning en slapeloosheid. Stoppen na langdurig gebruik kan heftige onthoudingsverschijnselen geven, wat vaak aanleiding is om weer te gaan slikken.
Lees hier meer over medicijnverslaving.
Het stoppen met antidepressiva – zoals SSRI’s (bijv. fluoxetine, sertraline) of SNRI’s (bijv. venlafaxine, duloxetine) – kan moeilijker zijn dan verwacht, vooral na langdurig gebruik. Het lichaam én de hersenen wennen aan deze medicatie en passen hun biochemische balans daarop aan.
Wanneer je abrupt stopt of te snel afbouwt, kunnen er ontwenningsklachten ontstaan, zoals duizeligheid, prikkelbaarheid, stemmingswisselingen, slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid, elektromagnetische gevoelens (“brain zaps”) en angst. Dit wordt vaak aangeduid als antidepressivum-discontinuatiesyndroom.
Ook kan er een psychische afhankelijkheid zijn: je bent bang voor terugkeer van de oorspronkelijke klachten zoals somberheid of angst, waardoor het stoppen voelt als een risico.
Omdat deze combinatie van fysieke reacties en psychische factoren het zelfstandig stoppen lastig maakt, is het aanbevolen om antidepressiva altijd geleidelijk af te bouwen onder begeleiding van een arts of psychiater. Daarbij worden onderliggende klachten opnieuw geëvalueerd en alternatieve strategieën ingezet, zodat je de overgang zonder onbedoelde terugval of oncomfortabele ontwenningsklachten kunt doorlopen
"*" geeft vereiste velden aan